Dit voorjaar was mijn achtertuin net een hotel. Vier gasten, allemaal met hun eigen verhaal, kwamen hier een tijdje wonen om een nestje groot te brengen.
Bovenin, in het penthouse van de hoge prunus, streek de ekster neer. Altijd druk kwetterend en met takjes in de weer. Ze hield alles in de gaten en sloeg alarm bij één verkeerde blik van onze kat.
Verderop, in de sierpeer, streek de eerste merel neer. In de conifeer had nog een merel een nestje, goed verstopt en met meer privacy.
In de blauwe regen die over de pergola slingert, zat de duif. Haar nest was meer een losse verzameling takjes dan een architectonisch hoogstandje, maar ze zat er met zoveel geduld en vertrouwen dat je er respect voor kreeg.
De tuin voelde wekenlang als een gedeelde leefruimte. En toen was het ineens stil. Geen gepiep en geen druk gevlieg meer. Lege nesten, alsof er nooit iets had gewoond.

